De schaamte voorbij

Het is 2007 en ik heb een beroerte gehad. Ik schaam mij dood. Niet voor een paar echte vrienden, maar de mensen daar net buiten. De buren, mijn collega’s, de mensen die je gemakshalve ook vriend noemt maar waarover je twijfelt of dat vrienden of kennissen zijn, de meisjes achter de kassa van de supermarkt. Ik ben totaal naar binnen gekeerd. En voor mijn (nu ex-)vrouw en mijn zoontje heb ik ook geen aandacht. Ik weet nu wat mijn licht autistische zoontje voelt. Van vlotte jongeman in één keer een zielig hoopje mens, dat is te veel om te verwerken dus ik tracht te vluchten in mijn revalidatiebezigheden.

Afscheid

In mijn gedachten ga ik uren lopen om weer op krachten te komen. In werkelijkheid kost het me een half uur om een blokje om te strompelen, naar beneden kijkend om alle oneffenheden te ontwijken. Stel je voor dat ik struikel?? Thuis gekomen hijs ik me de trap op naar mijn bed en val uitgeput in slaap. Waar ben je nu, vlotte jonge interim-manager? Of moet ik maar afscheid nemen van dat leven? En die k… afasie ook, was het niet genoeg straf dat ik eenzijdig verlamd ben?

2008

Een paar maanden later heeft mijn opdrachtgever mij een re-integratieplek toegezegd om weer te wennen aan werk en vooral om mensen te zien. Hij had zeker goed gesmoesd met mijn vrouw toen hij bij mij thuis was. De week erop strompel ik naar ’mijn werk’. Schaamte of geen schaamte, ik moet er doorheen. Ik vertel tegen mijzelf dat het iedereen kan overkomen, en dat maakt mij zekerder. Die lamme arm en dat been kunnen me niet zoveel schelen. Ik loop al met een stok en een brace. De schaamte is nu alleen nog maar gereserveerd voor mijn stem, die verdomde stem die mij in de steek laat.

Hoofdschuddend

Eerst de portier, een lieve vrouw is dat. Als ik binnenkom met zo’n blik van ‘ik kan er ook niets aan doen’ zie ik een blik vol medelijden. Liefdevol stelt ze mij een paar vragen, maar ik kan niets terugzeggen. Hoofdschuddend kijkt ze me na. Dat is één, nog tweehonderd medewerkers te gaan …

Rouw

De rest van de halve dag op mijn werk ben ik het troetelkind. Ik krijg achter elkaar koffie, aandacht, liefde en vragen die ik amper kan beantwoorden. En ook zie ik een hoop mensen hoofdschuddend weglopen. Als in ‘het komt niet meer goed met die jongen’. En dat brengt het verlangen de knokker in mijzelf weer terug te vinden. Ik weet niet hoe ik het flik maar er moet een volwaardig zinvol leven zijn. Even rouwen en weer doorgaan is het motto voortaan.

Tegenwoordig

En die schaamte? Die heb ik, wel met de nodige moeite, achter mij gelaten. “Ik kan er toch ook niets aan doen” is een zinnige gedachte die ik als een mantra in mijn hoofd geprent heb.  Ik prevel hem nog wel eens als ik een spannende aanloop voor een gesprek heb. Net nog met een cardioloog in het ziekenhuis waar ik een lotgenoot, die veel meer last van zijn afasie heeft, assisteerde. En het ging goed, iedereen tevreden. De schaamte ben ik voorbij.