Over snottebellen en kalverliefde

We hebben geluk. Het zonnetje schijnt, de temperatuur is redelijk en als je uit de wind zit, is het heerlijk buiten zitten. De avonden bestaan uit gitaar, gezang, kampvuur, sterke verhalen en intieme gesprekken. Kinderen blijven ineens ook tot 3 uur ’s nachts op, omdat de ouders even de vrijheid nemen hun kind te ‘vergeten’. Het is mooi om met zo’n grote groep zo’n vertrouwde sfeer te hebben.

Traditie

Langer dan ik me kan herinneren gaan wij met een groepje studievrienden kamperen met de Hemelvaartweekenden (inmiddels in kampeerboerderij de Schaapskooi). Nou ja, groepje … mensen kregen partners, kinderen en sinds vorig jaar gaat zelfs ook een partner van één van de kinderen mee. Met ruim 40 mensen houden we deze gezellige traditie in stand, zo ook dit jaar. Routine en structuur worden steeds belangrijker in mijn leven. Tradities zijn ook een vorm van routine.

Dekking!

Vast onderdeel van zo’n weekend is het groepje fietsers. De chaos voordat zij op pad gaan! Van mensen die al een half uur klaar staan tot mensen die ineens toch ook maar mee gaan. En als iedereen er dan lijkt te zijn, moet er toch nóg iemand mee … en zo begint het wachten opnieuw. Ik zit lekker op het terras met mijn ontbijtje en een heerlijke latte macchiato dit alles gade te slaan. Totdat het mis gaat. En goed mis ook. Ik moet niezen.

Waarschuwing voor fijngevoeligen: lees niet verder!

Het is ook wel meteen de nies van de eeuw te noemen. De fijngevoeligen onder ons kunnen beter niet verder lezen. Er hangt ineens een snottebel aan mijn neus, die zich zonder te breken tot ruim 30 centimeter uitstrekt en vol in mijn hand landt. Gênanter kan het gewoon niet. En er waren ook nog eens zoveel vrienden getuige van dit incident dat het geen enkele zin heeft om mijn ‘niets aan de hand’ gezicht (letterlijk) op te zetten. Daar zit ik dan. Ik kan geen kant op. En niemand lijkt mijn dilemma door te hebben. Even weet ik me geen raad.

Droog stukje

‘Ga je handen dan wassen,’ zullen mijn verbijsterde vrienden, wiens ontbijt ruw werd verstoord, ongetwijfeld hebben gedacht. Maar dan moet ik opstaan. En om op te staan moet ik de stoelleuning vastpakken. Met mijn hand, dé hand. Een lichte paniek maakt zich van mij meester. Dan, het lijkt een eeuwigheid later, staat mijn vriendin zuchtend op. ‘Ok’ zegt zij op langgerekte, gespeeld geïrriteerde toon. ‘Ik red je wel weer.’ Even later gooit zij een handdoek op mijn schoot. Hè bah, hij is nat, ik zoek naar een droog stukje waarop mijn vriendin verzucht: ‘Die natte kant is om je hand te wassen, die droge om daarna je hand af te drogen.’ Oh ja, ik kijk haar ‘schaapachtig’ aan.

Vastbesloten

‘Kom, we gaan wandelen’, roept zij vrolijk. Wandelen? Is ze nou echt gek geworden, hier in de omgeving heb je de keuze uit zand of bos. Aan beide ondergronden waag ik mij niet, noch zonder stok noch met stok. Maar ze is vastbesloten. Ze wil wandelen en ze wil wandelen met mij. ‘We gaan gewoon een rondje om de boerderij’ zegt ze. Een wandeling die zij in haar eentje waarschijnlijk binnen 2 minuten zou voltooien, maar voor mij is het een ware ontdekkingstocht.

Stadsjongen

Bij elk dier stoppen we net zo lang tot ik het dier heb geaaid. Het konijn slaan we over, te laag bij de grond. Maar aan de schapen ontkom ik niet. Het paard loopt weg, maar ik moet en ik zal ook dit dier aaien (ik ben een stadsjongen hè, dit is allemaal niet niks). De puppies slaan we over, om logistieke redenen. Dan rest ons nog het kalf.

Tongen

Terwijl ik voorzichtig over zijn kop aai, maakt het kalf een onverwachte uithaal en geeft mij een volle kletsnatte lik met de grootste slobbertong die ik ooit in mijn leven heb gezien. In één keer alles ‘schoon’. ‘Waar was jij toen ik je nodig had’ denk ik.

geredigeerd doortoetsmijntekst weerhandig