Een knikkernederlaag en toch een verrassende boodschap?

Ik heb een leven van mislukkingen achter de rug. Het begon al in de lagere school, met knikkeren. Elke pauze speelden wij een paar potjes. De gewonnen potjes hielden evenwicht met de verloren dus mijn knikkerdoos was altijd ongeveer even vol. Ik had altijd een bijzondere en grote knikker bij me, groter dan de ‘uppies’, groter dan de gewone knikker, zelfs groter dan de ‘bonken’. Hij was 1,5 keer zo groot en in de kleuren niet-doorzichtig paars, lila, wit en blauw met een fijn rood streepje. ‘Toverbonk’ noemde ik hem. Ik had hem van mijn opa gekregen onder de belofte dat ik er nooit mee zou spelen om het eggie. Ik sjouwde hem mee als een trofee en haalde hem elke pauze uit de doos en liet hem dan bewonderen. Ik had hem ook een waarde gegeven, tegen honderd gewone knikkers zou ik hem inzetten, zei ik stoer.

Pauze

Op een dag was het zover. In de pauze smoesden wat kinderen met elkaar die twee klassen hoger zaten, reuzen waren het, vooral die ene. Hij kwam naar me toe. “Laat eens zien die mooie knikker.” Hij zei het op een toon die geen tegenspraak duldde.  “Dus jij wil hem inzetten tegen honderd knikkers?” Ik moest nu wel kleur bekennen dus ik knikte. “En honderd knikkers is tien bonken.” Verdomd, dat is waar, dat hadden wij op het schoolplein onderhandeld, dus ik knikte weer. “En wij hebben hier een regel op school, jullie ‘kleuters’ kennen die misschien nog niet, dat als een bonk alleen de kleuren rood-wit-blauw heeft hij voor twee geldt.” Ik had daar van gehoord en ongerust door de voor mij onwillige wisselkoersen luisterde ik verder. “Dus wij gaan spelen met 5 rood-wit-blauwe bonken tegen jouw Toverbonk”. Hij liet geen ruimte voor protest. En ik had niets om tegen te protesteren.

Toverbonk

Even later stond ik trillend van de zenuwen aan de knikkerpot. Ik keek omhoog, recht in de gemene lach van mijn tegenspeler. Hij was wel vier meter lang, zo groot en ik had even de droom, een nachtmerrie trouwens, dat hij van achter de stoeprand de knikkers zo in de pot kon leggen. Op miraculeuze en onbegrijpelijke wijze had hij geredeneerd dat hij begon. Het potje was tegen de muur, in een uitgegraven voeg. De eerste bonk vertrok … en hij rolde in het potje. Hij keek mij aan en grijnsde. De tweede … raak. Ik werd al nerveuzer. “Rustig maar, dat komt wel meer voor”, dacht ik. De derde ook … ook raak. Ik voelde al wat vreemds in mijn maag.

Afloop

Hij ging even overeind staan en keek mij dringend aan. Ik prevelde een schietgebedje. “Mis, mis, mis”, dacht ik. De vierde … ongelofelijk, hij had alles mee! “Als de vijfde erin gaat ben jij de Toverbonk kwijt zonder te spelen”,  zei hij lachend. Ik hoorde mijn opa: “Beloof jij dat je nooit speelt om de Toverbonk?”  De vijfde bonk vertrok uit zijn vingers. Uit zijn worstevingers. De knikker stuiterde naar het potje, hij ontmoette een paar kleine steentjes maar hij zette zijn weg voort … naar het potje … en erin! Een gejuich steeg op van de ouderejaars. En ik had mijn eerste echte mislukking. Ik droop af, misselijk, denkend aan de woorden van mijn opa.

Glas

Gedurende mijn leven heb ik meer mislukkingen achter de rug, kleine en grote, zoals iedereen. In mijn werk bijvoorbeeld, mijn zzp-schap en het afzien van allerlei uitkeringen – bijvoorbeeld voor arbeidsongeschiktheid – was financieel niet zo’n goede zet. Gegokt en verloren. Zo ook met mislukte relaties, verlopen vriendschappen en op het sportveld. Ik vergrootte ze uit en dacht alleen maar aan de keren dat ik het niet zo handig had gedaan, en niet aan de succesmomenten. Tegelijkertijd ontwikkelde ik mijn perfectionisme, waardoor ik het altijd nét niet goed deed en het gevoel van teleurstelling in elke cel in mijn lichaam kwam te zitten. Tot ik de belangrijkste gebeurtenis had van mijn leven: een beroerte.

Beroerte

Mijn beroerte heeft, naast een hoop verdriet om dat wat niet meer gaat, ook een hoop geluk gebracht. Behalve de gehandicaptenparkeerkaart, heel handig is dat, kijk ik nu meer wat er wél lukt, ben tevreden met kleine dingen en heb dat halflege glas weggegooid. Bij de glasbak. Wat een bevrijding. Ik heb weleens de neiging om langs de deuren te gaan met een blijde boodschap, maar dat doe ik maar niet. Maar stiekem denk ik wel eens dat ik het toch moet doen. Aanbellen en zeggen dat je hoop komt brengen. Dat je jezelf kunt omarmen, hoeveel ellende je ook hebt meegemaakt. En zeggen: “Je bent het waard.“ Maar ik ben geen ‘wachttorenverkoper’. Een ieder heeft zijn eigen gedachten en zijn eigen tempo van verwerken, met onduidelijke uitkomst. Ik ga maar andere ‘boodschappen’ doen, bij de Appie. Dat kan ik beter.

Gecorrigeerd door  Suzanne Rietveld

PS      Als je meer ontboezemingen van mij wilt lezen, misschien ook nog een hulpmiddel van de week wilt bestuderen en een interessant artikel van anderen wilt lezen wordt dan abonnee van de tweewekelijkse nieuwsbrief en krijg hem in je mailbox.